'Hoe kan ik bewijzen dat ik een goede vader ben voor Amir?'

Dit is het verhaal van Jalil Mouradi, vader van de doodzieke Amir (10). De brief hieronder had hij kunnen schrijven, maar hij mag niet praten met de pers. Onderstaande column is tot stand gekomen door gesprekken met mensen die al jarenlang betrokken zijn bij het gezin Mouradi.
Aan ieder die oordeelt over het belang van mijn kind,

Mijn naam is Jalil Mouradi. Vanuit Afghanistan kom ik bijna zes jaar geleden naar Nederland met mijn gezin. Mijn zoon Amir heeft een ernstige stofwisselingsziekte waardoor hij vrijwel zeker sterft op jonge leeftijd. Als ouder doe ik alles om het mijn kind zo comfortabel mogelijk te maken.

Er is alleen een probleem: ik woon in een asielzoekerscentrum. Daarom heeft mijn gezin een minimale ziektekostenverzekering en zijn er allerlei beperkingen die de zorg bemoeilijken.

Zo heeft mijn kind medicijnen nodig. Maandenlang dezelfde. Maar ik moet ze elke week ophalen bij de apotheek die ligt op een half uur loopafstand. Het COA heeft bedacht dat wekelijks medicijnen halen goed is ter bevordering van de integratie. Ik kan met de bus gaan natuurlijk, maar het buskaartje gaat van mijn schamele weekgeld af.


Ik voel me machteloos en word boos op een COA-medewerker omdat de verstrekking van de medicijnen zo moeizaam verloopt. Ik krijg een boete van tientallen euro’s. Ik sta nu te boek als agressief, maar hoe zou u reageren als u tegen een muur van bureaucratie op loopt bij het verzorgen van een doodziek kind?

Het asielzoekerscentrum in Emmen waar mijn kind verblijft is eigenlijk niet geschikt voor kinderen met een lichamelijke handicap. Zo gaat het verkrijgen van zorg erg omslachtig. Maar volgens het COA kan mijn zoon hier wel degelijk wonen.

Ons gezin krijgt eind 2016 een verblijfsvergunning, maar we krijgen geen huis aangeboden dat geschikt is voor een gehandicapt kind. Mijn zoon moet namelijk liggend douchen. We wonen langer dan we willen op het azc in Emmen.

Ik baal van mijn huisarts, onderdeel van het Geneeskundig Centrum Asielzoekers op het azc in Emmen, maar zo lang ik hier woon, heb ik geen vrije artsenkeuze.

'Hij heeft nog veel plezier'
De arts van mijn kind in het ziekenhuis heeft bepaald dat mijn zoon is uitbehandeld. Dat wordt mij meegedeeld door die arts en iemand van het COA. Ik ben het er niet mee eens. Hij heeft nog veel momenten van plezier, alleen heeft hij af en toe zuurstof nodig. Maar het COA wil geen zuurstofflessen op het azc omdat die kunnen ontploffen.

Ik vind een andere huisarts, maar om onbekende redenen lukt het niet om over te stappen.

De huisarts van het GCA cq COA meldt bij Veilig Thuis dat de zorg voor mijn kind niet is gewaarborgd omdat mijn vrouw tijdelijk in het buitenland verblijft, mijn kind een virus heeft en ons gezin momenteel geen huisarts heeft. Maar zou de huisarts van het COA niet gewoon verantwoordelijk voor de zorg van mijn zoon moeten zijn zolang ik nog geen andere huisarts heb?

Ik haal een broodje en loop terug naar mijn zoon. Dan staat er een bewaker die mij tegenhoudt.
Jalil Mouradi
 
Veilig Thuis heeft de melding doorgezet naar de Raad voor de Kinderbescherming en die besluit dat Amir beter af is als hij uit huis wordt geplaatst. Dat gebeurt op 7 september 2017 als mijn kind van het UMCG naar het Scheperziekenhuis in Emmen wordt verplaatst.

Ik haal even een broodje en wil weer terug naar mijn zoon, maar er staat ineens een bewaker voor de deur die mij ervan weerhoudt naar binnen te gaan. Mijn doodzieke kind is niet alleen uit huis geplaatst; ik mag hem niet eens bezoeken. Dat vind ik verschrikkelijk omdat ik van mening ben dat hij mij in deze terminale fase juist het hardste nodig heeft.

Ik ga naar de rechtbank om de uithuisplaatsing aan te vechten, maar de rechtbank vindt het terecht dat mijn kind in een speciale instelling in Bedum wordt opgevangen en niet bij ons woont. Gelukkig heeft de rechter wel de termijn tot de volgende toetsing verkort en bepaald dat ik mijn kind nu wel mag bezoeken. Mijn kind zit alleen in een instelling die op twee uur reisafstand ligt met het openbaar vervoer.

Ik ga in hoger beroep, maar de hogere rechter gaat mee in het oordeel van de rechtbank: mijn zoon mag niet bij ons thuis wonen. Zelfs nu we een huis in Groningen hebben met genoeg slaapkamers voor het hele gezin en dat is aangepast voor gehandicapten. De voogdij-instelling voor asielzoekers Nidos zegt tegen de rechter dat mijn vrouw en ik niet naar de artsen luisteren, maar dat doen we wel degelijk. Maar het is hun woord tegen dat van mij. De rechter gaat bijna altijd mee in het oordeel van de instanties.

De nieuwe kamer voor Amir (foto: Marianne Bathoorn)

Mijn zoon ligt tot op heden in het ziekenhuis in Groningen en we zien hem nu gelukkig weer elke dag. Als hij uit het ziekenhuis wordt ontslagen mag hij waarschijnlijk weer bij ons komen wonen voor een proefperiode van drie weken. Daar ben ik heel blij mee en ik had dat graag wereldkundig gemaakt. Maar de instanties willen niet dat ik met de pers praat. De tijd die dat kost zou ik volgens hen beter aan Amir kunnen besteden. Maar hoe zit het dan met de tijd die ik kwijt ben voor het bewijzen aan de instellingen dat ik wel een goede vader ben?

Dat hij tijdelijk naar huis mag zegt helaas nog niets over de toekomst. De rechter moet zich nog buigen over verlenging van de uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling voor een periode van een jaar tot 7 september 2018.

Ik vind dat het belang van Amir is dat hij in de laatste levensfase bij ons woont.

Met vriendelijke groet,

Jalil Mouradi
Meer over dit onderwerp:
Amir Mouradi Amir Jalil Mouradi
Deel dit artikel: