Fuiken, stolpen of modderen: Drenten waren inventieve palingvangers

Volgens de dichter Cats is de paling 'een nichte van de slangen'. Niettemin wordt het dier in Drenthe al eeuwenlang met graagte verorberd. Een uitgekiende manier van palingvangst in riviertjes was de aalstal.
Historisch onderzoeker Henk Luning uit Assen zoekt uit hoe dat in vroeger eeuwen in z'n werk ging: "Men plaatst van takken gevlochten matten in en naast de rivier. Het water wordt gedwongen om door een verlaagd middengedeelte te stromen, waarin visnetten en fuiken zijn geplaatst. De volwassen aal, die vanaf augustus naar zee trekt, komt daarin terecht. In het najaar worden de stallen opgeruimd, zij stuwen het water op en veroorzaken overstromingen."

Weer of were
Een ander woord voor aalstal is weer of were. Dat weren op veel plaatsen ingezet worden is nu nog in plaatsnamen te zien. Luning: "Zo is er een stuk hooiland onder Nijeveen dat de Were wordt genoemd.

Bij Blijdenstede ligt het erf de Monyckewere dat gelegen is aan de Aa. Onder Weerwille treffen we in 1414 Lillikenswere aan en in 1382 wordt er een Schuringheswere in Wanneperveen genoemd. Het zijn allemaal plaatsen waar in een ver verleden de aal gevangen werd. Aalstallen kwamen zelfs voor tot in de stad Meppel."

Onenigheid
In 1454 legt de Etstoel de afmetingen voor aalstallen voor heel Drenthe vast. Het verlaagde middenstuk moet ten minste twaalf voet breed zijn, zo niet dan mochten de buren van de stroomafwaarts gelegen aalstallen de stal van de overtreder straffeloos afbreken.

Luning vindt in de archieven verscheidene verslagen van onenigheden over de weren."Bijvoorbeeld in 1503 heeft Hendrick de Vos van Steenwijk 'kubben' en viskorven van Reynolt van Echten vernield. Het blijkt dat er zowel boven als beneden de Dwingelerbrug aalstallen lagen en dat de buren bij een grote toevoer van water die mochten of moesten verwijderen."

Bargermeer zag zwart
"Behalve met aalstallen vangen de Drenten nog op andere manieren paling", vertelt Luning. "Ze waren behoorlijk inventief om deze lekkernij te bemachtigen." 

In winterse ijsperioden wordt er geschaatst én op paling gevist met behulp van een van weerhaken voorziene vork, een aalsteker. Dan ziet bijvoorbeeld het meer in Bargermeer soms zwart van de aalstekers.

Een bijzondere manier van vissen, het stolpen, is geliefd bij de jeugd. Hun vistuig is simpelweg een korf zonder bodem die op ondiepe plaatsen snel neergezet wordt. Luning: "Vervolgens voel je van boven door de mand of er een vis in zit. Vooral op plaatsen met veel planten en ruigte is hier enig succes mee te behalen. En dan had je nog het zogenaamde ‘modderen’ in het ondiepe meer. Het is volgens de Wet op de Jagt en Visserij van 1814 verboden om het water troebel te maken en vis met de hand te vangen, maar daar stoort men zich bij het Bargermeer niet aan. Een paar ouderen herinneren zich in 1905 nog dat het vet van de paling voor olielampen gebruikt werd en de vellen werden onverwoestbare dorsvlegelriempjes." 

Chirurgijn Knoest
Luning vindt in het Genees- natuur- en huishoudkundig kabinet dat in 1782 in Leiden verschijnt een mooie geschiedenis in verband met het eten van paling in Drenthe: "De weduwe Hillebrands in Eelde krijgt 49 alen cadeau die gevangen zijn in het Wolt onder Paterswolde. Er is er een joekel bij met een lengte van 1½ el, zo’n anderhalve meter. Deze is geel van onderen, terwijl de anderen allemaal een witte buik hebben. Dat had ze moeten waarschuwen".

"Maar de weduwe heeft juist een oogje op de grote, die nog dezelfde dag in de pan gaat. Ze eet vier mootjes en ook de meid tast toe. Even later valt de meid plotseling languit op de grond. Ze wordt bleek, heeft een blauwe kring om de mond en het lijkt of ze moet braken. Ze is blind, maar wel bij kennis. Even later krijgt de weduwe dezelfde verschijnselen".

"Weldra komt chirurgijn Knoest die meteen een braakmiddel toedient. De vrouw verstijft, kan eerst niet braken, raakt buiten kennis en haar gezicht wordt zwart. Even later komt ze weer bij zinnen, ze kan nu wel overgeven waarbij er ook ‘een sterke afgang aan de andere zijde’ op gang komt. Daarna verbetert haar toestand aanmerkelijk. Knoest gaat ook kijken bij de meid die intussen op de plee zit. Zij schreeuwt om water en vervloekt de aal. Ook zij krijgt het medicijn, dat goed aanslaat".

"Om de proef op de som te nemen voert men de kat later een paar moten van de grote aal. Het dier valt, waarschijnlijk omdat ze niets meer kan zien, door een luik in de zolder naar beneden. De kat braakt vervolgens, drinkt veel koud water en is de volgende dag gezond.”

Einde van de aalstal
De aalstallen nemen in de tweede helft van de 19de eeuw in aantal af. In het reglement op het beheer van wegen en waterlossingen uit 1848 worden ze slechts terloops genoemd. In latere voorschriften komen de aalstallen niet meer voor.

"Je kunt aannemen dat ze daarna goeddeels uit de Drentse wateren verdwenen waren", meent Luning. Eén aalstal blijft tot ver na de Tweede Wereldoorlog in gebruik, in de Drentse Aa bij Noordlaren. En de familie Vos heeft  bij de uitgang van het Zuidlaardermeer nog steeds een, wat men in visserijtermen een ‘dichtzet’ noemt, in bedrijf. Daarbij wordt een aan een lier bevestigd net in het midden van de Hunze geplaatst, de aal kan vervolgens alleen nog aan de zijkanten passeren en daar worden de palingfuiken opgesteld. 

In Drenthe Toen, zondag 20 januari op Radio Drenthe tussen 19.00-21.00 uur, meer over de Drenten en de palingvangst.
Deel dit artikel: