Een eeuwenlange strijd in Drenthe: de jagers tegen de stropers

In 1879 telt Drenthe 350 jagers met een jachtakte, maar nog veel meer zonder akte. "Het jagen zit de Drent nu eenmaal in het bloed", meent historisch onderzoeker Henk Luning uit Assen, die in deze materie dook.
Volgens Luning hadden de stropers goede redenen om te jagen. "Menigeen die geen akte kon krijgen, móest wel aan het stropen slaan. Een leven zonder jacht is immers ondenkbaar saai en ook voor de portemonnee ongunstig." 

Achter slot en grendel
Het ligt voor de hand dat de stroperspraktijken de reguliere jagers een doorn in het oog zijn. Zij moeten betalen voor het jachtrecht en zijn, zowel toen als nu, van mening dat stropen pure diefstal is.

Maar de werkloosheid aan het eind van de 19e eeuw werkt de stroperij in de hand. Luning zegt daarover: "In het bijzonder rond Hoogeveen neemt het wildstropen enorme vormen aan. De jagers gaan daarom over tot het oprichten van een vereniging tot verbetering van de wildstand. De vereniging looft premies uit van een rijksdaalder voor iedere bekeuring wegens overtreding van de jachtwet die een veroordeling tot gevolg heeft. Een financiële stimulans dus om de stropers minimaal berecht, en als het even kan, achter slot en grendel te krijgen." 

Stropersbond
Enkele particuliere grondbezitters verhogen deze premies nog. Voor Fluitenberg en Kalenberg komt de premie zo zelfs op 7,50 gulden. Maar zo eenvoudig is het kennelijk niet om een stroper te betrappen, de regeling boekt maar weinig resultaat.

De stropers zitten intussen ook niet stil, meldt Luning. "Zowel in Meppel als in Assen wordt in 1899 een stropersbond opgericht. In Assen is op een geheime plaats een vergadering waar een soort weerstandskas in het leven wordt geroepen, van waaruit eventuele bekeuringen kunnen worden betaald. Men kiest drie bestuursleden van wie de namen, om begrijpelijke redenen, niet worden bekendgemaakt. Om lid te kunnen worden moet men als stroper bekend staan en al eens een bekeuring hebben gekregen."

Ook spreken de stropers af om al het wild tegen marktprijs aan een poelier te verkopen. In ruil daarvoor zou de poelier jaarlijks een bedrag in de kas van de vereniging moeten storten. Het hoofddoel is echter om zoveel mogelijk steun te verlenen aan de leden-stropers die een bekeuring krijgen.

Hazen, patrijzen en belangen
De jagers richten in 1915 een provincie-brede organisatie op: de Drentse jagersvereniging. De stropersbond valt echter uiteen.

Henk Luning heeft daar wel een verklaring voor: "De leden jagen liever hazen en patrijzen na dan hun gezamenlijke belangen. Dat is ook niet zo verwonderlijk als je bedenkt dat het illegale organisaties zijn, die in het geheim moeten vergaderen en waarvan ook de namen van de leden niet bekend mogen worden. Dat belemmert het functioneren van zo’n bond natuurlijk enorm." 

Met boeven vang je boeven
Maar al lukt het de stropers niet om zich te organiseren, ze verdwijnen niet van het Drentse toneel. Luning: "Waar gejaagd wordt, wordt in de regel ook gestroopt, en al helemaal in onze provincie, waar het zo’n beetje bij de plattelandscultuur hoorde om met stropen je inkomen én je dis aan te vullen." 

Niet voor niets ergert de advocaat Mr. O. Q. van Swinderen zich aan de zware straffen op overtredingen van de jachtwet, waarin 'de rechtsovertuiging van het volk geen misdrijf ziet'.

Tekenend is ook het antwoord van een Drentse stroper, als hij door de president van de rechtbank wordt gemaand om het stropen voortaan te laten: 'Meneer de president, zo'n belofte kan 'k oe waorachtig as eerlijk man niet geven'.

Een enkele keer zit er een baantje in voor een ervaren stroper: als jachtopziener. "Met boeven vang je boeven", glimlacht Henk Luning. "Niemand weet zo goed als een voormalig stroper hoe men erin slaagt wild buit te maken en ook nog de autoriteiten om de tuin te leiden." 

Het hele gesprek met Henk Luning is te horen in het Radio Drenthe-programma Drenthe Toen. Vanmiddag, zondag 3 maart, tussen 14.00-15.00 uur. Daarna terug te luisteren via uitzending gemist of de podcast.