Piloot Albert Albino lag 35 jaar onder de rails in Hoogeveen

Luchtvaartjournalist Gerrit Boxem uit Hoogeveen vond in de archieven een bijzonder verhaal. Dat van Albert Albino (24) die na een luchtgevecht met zijn Lightning P38 neerstortte achter het station van Hoogeveen en daarna 35 jaar vermist bleef.
Tientallen Messerschmitts
"Het is op 29 november 1943 boven West-Europa zwaar bewolkt", vertelt Boxem. "Ter hoogte van Bergen aan Zee, via Lemmer, Noordwolde en Grolloo vliegen de bommenwerpers en hun begeleiders richting Bremen. Er is weinig Duitse tegenstand en de missie lijkt een 'piece of cake' te gaan worden. Maar niets is minder waar. De terugweg wordt voor de Amerikaanse vliegers namelijk een regelrechte helletocht. Vlak voordat ze het punt hebben bereikt waar men zich wil hergroeperen voor de terugvlucht, worden de Amerikanen opeens aangevallen door tientallen Messerschmitt Me-109 jagers."

Verscheidene Lightnings worden al direct fataal getroffen en storten neer. De overige Amerikaanse jagers vormen groepen van vier vliegtuigen, waardoor ze sterker staan tegenover de aanvallen. Eén van de toestellen die geen aansluiting vinden bij zo'n viertal is dat van Albert Albino. Hij keert niet terug op de basis.

Missed in action
Boxem: "Zijn lot is nog lange tijd onbekend gebleven. Ook als vlak na de oorlog het Amerikaanse leger van alles in het werk stelt om haar vermiste militairen te vinden. Er worden archieven doorgespit en ooggetuigen ondervraagd, maar hoe men ook zoekt: geen spoor van Albert Albino. Met een neergestort vliegtuig in Hoogeveen wordt geen verband gelegd, dat is veel te ver van de lijn waarin de Lightnings vlogen."

Diepe krater
Ooggetuigen in Hoogeveen hadden namelijk op diezelfde noodlottige middag een jager met enorme vaart naast het stationsgebouw de grond in zien duiken. Aan de bagagehal hing een parachute. Die deed vermoeden dat de piloot op het laatste moment nog een poging had gedaan om uit zijn toestel te springen. Het moet een enorme klap zijn geweest, vermoedt Boxem. "De rails stonden rechtop en ertussen was een diepe krater te zien. 

Omdat de Duitsers de spoorwegverbinding nodig hadden voor de Jodentransporten, werd de kuil zonder veel ceremonieel dichtgegooid en de rails hersteld."

Hoge kosten
Gerrit Boxem meent dat Albino al tweemaal eerder gevonden had kunnen worden. "Na de oorlog heeft de Gravendienst bij het station nog een halfslachtige poging gedaan om de stoffelijke resten van de onbekende piloot te bergen, maar vanwege de hoge kosten is dat daarbij gebleven. Als in dan september 1972 onder de spoorbaan een eerste tunneltje wordt gegraven, stuit men op enkele metalen onderdelen van een vliegtuig. Omdat men aanneemt dat de andere resten te diep zijn weggezakt in de veengrond, wordt van verdere berging afgezien."

Naamplaatje
Uiteindelijk wordt in 1978 het raadsel opgelost als de Nederlandse Spoorwegen aan het werk gaan met de bouw van een voetgangerstunnel onder het spoor bij het station van Hoogeveen. Men stuit opnieuw op wrakstukken van een vliegtuig. Nu wordt wel adequaat gehandeld, vertelt Boxem.

"Het treinverkeer wordt stilgelegd en de Luchtmachtbergingsdienst en de Gravendienst verwittigd. Al snel wordt duidelijk dat men met de wrakstukken van een Amerikaanse P-38 jager te doen heeft. En daarin bevinden zich behalve de munitie van het boordkanon en de mitrailleurs, ook nog enkele stoffelijke resten en wat uitrustingsstukken van de vlieger. Een militair naamplaatje brengt zekerheid. Het is de sinds 1943 vermiste Albert Albino. Dat hij nog tot Hoogeveen had weten te komen had niemand tijdens de naoorlogse speurtocht gedacht."

De stoffelijke resten van Albino worden op verzoek van diens broer overgebracht naar de Verenigde Staten, waar ze in oktober 1978 na een kerkdienst werden bijgezet op het plaatselijke kerkhof van Portland in de staat Oregon. "Hij is eindelijk thuis", verzucht Boxem. Op het Hoogeveense Stationsplein staat een monument bestaande uit een propellerblad van de P38 van de jonge luchtheld Albino, die onder meer gedecoreerd werd met een Purple Heart.