Varkensschouwer anno 1790: een schamel bijbaantje

De meeste varkens in het Drenthe van de 17e eeuw werden voor eigen gebruik geslacht. Slechts een klein deel van het vlees kwam op de markt.
En dat was het werkterrein van de varkensschouwer, vertelt historisch onderzoeker Henk Luning, die zich verdiepte in deze voorloper van de Voedsel- en Warenautoriteit.

Ranzige smaak
"De voornaamste taak van deze varkensschouwer was erop toe te zien of een varken al dan niet 'vinnig' was, ook wel 'gortig' of 'garstig' genoemd. Bij een levend dier kon alleen de kenner dit zien aan de hand van de vinnen, een soort van blaasjes, onder de tong."

"In Drenthe was hiermee de keuring klaar, maar in het westen van het land werd het varken ook nog eens in geslachte toestand gekeurd, op knobbeltjes in het vetweefsel. Die gaven een ranzige smaak aan het vlees."

Beetje bedorven
Van zieke dieren afkomstig vlees werd niet als onbruikbaar, maar wel als minderwaardig beschouwd. Wat onverkocht bleef verdween vaak naar het gasthuis of naar de armen. De keurmeester bepaalde of het vlees nog eetbaar was. "Men nam het daarbij niet al te nauw", vertelt Luning. "Aan een beetje bedorven vlees ging je niet dood, was destijds de gangbare opinie."

De schouwers waren meest keuterboeren, het was een bijbaantje. "Veel kan dat niet opgeleverd hebben, want er werd op deze inkomsten geen belasting geheven. En de belastingdienst kennende zou die heus wel hebben toegeslagen als er maar enigszins wat te halen viel", redeneert Luning.

Armzalige omstandigheden
Een vetpot was het sowieso niet met die varkensschouwerij, vermoedt Luning. "En er was nog oneerlijke concurrentie ook. Zo deed in het jaar 1792 Hendrik Harms uit Rolde zijn beklag over schouwers die niet door Gedeputeerde Staten waren aangesteld. Daardoor zou hij op zijn oude dag nog moeten aankloppen bij de diaconie, klaagde hij."

"Daarop namen GS het besluit dat alleen personen aangesteld door de Staten het beroep mochten uitoefenen. Op overtreding werd een goudgulden boete gesteld ten gunste van de diaconie waar de overtreding werd geconstateerd. Dat verhoedde echter niet dat Hendrik Harms in zeer armzalige omstandigheden overleed."

Slecht vlees
Aan het eind van de 18e eeuw bleek uit nieuw onderzoek dat het eten van vlees van tuberculeus vee onschadelijk was voor de volksgezondheid. Franse onderzoekers wezen er ook op dat het eten van vlees afkomstig van vee met runderpest en longziekte, van varkens met vinnen en rotkreupele schapen, mits gekookt, geen bedreiging vormde voor het menselijk welbevinden. 

Luning: "Het nut van vleeskeuring werd omstreden en het toezicht verslapte. Pas na 1850 herleefde de interesse voor vleeshygiëne weer, nadat een aantal nieuwe onderzoekingen de schadelijkheid van slecht vlees voor de volksgezondheid overtuigend had aangetoond."

Het hele gesprek met Henk Luning wordt uitgezonden in het radioprogramma Drenthe Toen, op zondag 23 juli tussen 14.00 en 16.00 uur. Daarna ook te beluisteren op internet via uitzending gemist of de podcast.
Meer over dit onderwerp:
Drenthe Toen varkensschouwer Henk Luning Assen
Deel dit artikel: