Verdachte ‘windmolenterreur’ Jan H. ontkent, maar blijft vast zitten

De 58-jarige Jan H. uit Meeden ontkent dat hij ondernemers heeft bedreigd die meewerkten aan de bouw van windmolenparken in Groningen en Drenthe. "Ik zit al drie maanden voor niets vast. Het is een onrechtvaardig proces.” Toch blijft hij vastzitten.
H. moest vanochtend voor de rechter verschijnen tijdens de eerste openbare, niet inhoudelijke zitting in Assen. Hij zit als enige van de vier verdachten van acties tegen de bouwers van de windmolenparken nog vast. Het Openbaar Ministerie verwijt hem betrokken te zijn geweest bij het bedreigen van ondernemers en gedeputeerde van provincie Groningen Fleur Gräper. Daarnaast zit de man ook vast voor het dumpen van asbest in onder meer Muntendam en Delfzijl.

Kans op herhaling asbestdumping
De rechtbank vindt dat H. vast moet blijft zitten, omdat op het dumpen van asbest een maximale straf van twaalf jaar staat en de kans op herhaling aanwezig is. "De strafvorderlijke belangen wegen zwaarder dan de persoonlijke belangen”, zei de rechter. Dit zou kunnen veranderen wanneer H. volgende week opnieuw wordt verhoord. "De inhoud van die verklaringen kennen we echter nog niet”. 

DNA-materiaal gevonden
H. zit als enige verdachte nog vast, omdat er van hem DNA-materiaal is gevonden op een tiewrap die is gebruikt bij een asbestdumping. Het Openbaar Ministerie zegt over meer bewijsmateriaal te beschikken. Zo zijn gesprekken tussen medeverdachte Jan Nieboer (61) en H. getapt. In deze gesprekken werd onder meer gesproken over dreigbrieven, die nooit zijn gepubliceerd, over het posten van de brieven in Duitsland en het afgeven van een usb-stick bij een drukkerij in Stadskanaal. Bij die drukkerij zijn dreigbrieven geprint en pamfletten met daarop waarschuwingen voor asbest.

Volgens de officier van justitie is de Meedenaar te ver gegaan in het actievoeren tegen de komst van windmolenparken. "Hij heeft samen met anderen de grenzen overschreden, angst gezaaid en de lokale samenleving ontwricht”, aldus de aanklaagster.

De volgende zitting is in januari en eveneens niet inhoudelijk. De officier van justitie schat in dat de zaak op zijn vroegst in april kan worden behandeld.