Hoe de Joodse gemeenschap uit Meppel verdween

De nacht van 2 op 3 oktober 1942 is een drukke nacht voor de nazi's en hun handlangers. Overal worden razzia's gehouden om Joden op te pakken. Die dag is 'slim' gekozen door de Duitsers, want het is Jom Kipoer - een Joodse feestdag - en veel mensen zijn thuis. Wel zo 'efficiënt'.

De razzia's worden door het hele land gehouden, ook in Drenthe. Op veel plekken - zoals in Assen en Hoogeveen - is er na die nacht van de Joodse gemeenschap vrijwel niets meer over. Van de Drentse Joden overleeft maar 10 procent de oorlog. Dat is ook het verhaal van de Joden in Meppel.

250 joden

Meppel heeft voor de oorlog nog een levendige Joodse gemeenschap. Er wonen vlak voor het uitbreken van de oorlog zo'n 250 joden in de stad. "Meppel had een levendige Joodse cultuur", weet Thijs Rinsema, die jaren geleden een lijvig boek (Joden in Meppel, 1940-1945) schreef over de Joodse Meppelers. "Voor Noord-Nederland was het een redelijk grote gemeenschap." Er staat dan nog een synagoge en ook is er een school. Daarnaast zijn er een paar Joodse verenigingen, maar veel Joden voetballen bijvoorbeeld ook bij niet-Joodse clubs als MSC en Alcides.

Veel van de Joodse mensen zijn handelaren. Ze hebben een winkel of gaan met hun spullen de boer op. Zo heeft de familie Goldsteen een drogisterij en een schilderswinkel, en is David Wolff de baas van een schoenenfabriek. "In Meppel waren veel Joden ook winkelier, zoals bakker, slager of kledinghandelaar", legt Rinsema uit.

(Verhaal gaat verder onder de foto)

De synagoge in Meppel, die jaren geleden werd afgebroken (Rechten: Stichting Oud Meppel)

Gemeente en politie werken mee

Maar dan breekt op 10 mei 1940 de oorlog uit in Nederland. Van de 250 Joden sterft uiteindelijk de overgrote meerderheid in vernietigingskampen zoals Auschwitz en Sobibor. Maar aan het begin van de oorlog kan niemand dat nog vermoeden. Aanvankelijk pakt de bevolking tijdens de bezetting het leven weer op, zo goed en zo kwaad als dat kan. "Toch waren er vanaf het begin wel anti-Joodse maatregelen, maar die waren nog niet dusdanig dat je hele leven op de kop werd gezet", vertelt Rinsema. "Het was een heel gemeen systeem, dat steeds erger werd. Op het einde draaide het om het oppakken van Joden en het roven van hun bezittingen."

De gemeente Meppel speelt in die tijd volgens Rinsema een 'uiterst meegaande' rol. Onder meer bij het ondertekenen van een niet-Joodverklaring of bij het verstrekken van Jodensterren, die joden vanaf mei 1942 op hun kleding moesten dragen. "Ik ben nergens tegengekomen dat Meppel ergens niet aan meedeed", zegt de onderzoeker en schrijver duidelijk. "Administratief was alles keurig geregeld. Als er een lijst kwam met Joden die ergens naartoe moesten, werd er royaal meegewerkt."

Ook de politie vertolkt dan een bedenkelijke rol. "De politie pakte de Joden op en zette ze op de trein naar Kamp Westerbork." Volgens Rinsema is die periode een zwarte bladzijde voor de politie, die die bladzijde het liefst snel vergeet. "De betreffende bladzijde uit het dag- en nachtrapport van de razzia is verwijderd. Dat papiertje is weg."

2 oktober 1942

Verreweg de meeste Joden worden in de nacht van 2 op 3 oktober uit hun huizen gehaald. "Er was een vrouw die net bevallen was, zij kon die nacht nog niet weg." Klinkt als een sympathiek gebaar, maar het is letterlijk en figuurlijk uitstel van executie. "De dag erna moest zij namelijk met de bus mee naar Kamp Westerbork." Op 3 oktober worden de Meppeler Joden (samen met opgepakte Joden uit andere plaatsen) naar het Drentse doorgangskamp bij Hooghalen gebracht.

In het kamp zijn dan ook Joden uit de omliggende werkkampen gebracht. De nazi's doen het voorkomen als een familiereünie, maar lang kunnen ze daar niet van genieten. In Kamp Westerbork blijven ze relatief kort. "Dat varieert van een aantal dagen tot een aantal maanden, als je 'geluk' had." De Joden worden naar kampen als Auschwitz gebracht. Toch overleeft een aantal Joden Kamp Westerbork, door te ontsnappen. De broers Eduard en Jacob van de Rhoer uit Meppel ontkomen aan een transport naar het Oosten. Eduard door zogenaamd een kistje appels naar een verderop gelegen buitenkamp te brengen, Jacob werd verstopt tussen kratten op een vrachtauto.

De andere Joden uit Meppel die de oorlog uiteindelijk overleven, zitten ondergedoken. "Die onderduikperiode begon pas laat", weet Rinsema. "Leden van de familie Van Esso overleefde de oorlog, omdat ze tijdens de razzia toevallig op een ander adres verbleven. Die zijn toen meteen ondergedoken." Ook enkele anderen duiken onder wanneer ze geruchten horen over de beruchte razzia.

(Verhaal gaat verder onder de foto)

De broers Jacob en Eduard van de Rhoer tijdens hun onderduikperiode (Rechten: Stichting Oud Meppel)

Bevrijding

In het voorjaar van 1945 wordt Drenthe bevrijd. Die ellendige oorlog is na vijf jaar eindelijk voorbij. De Joodse onderduikers uit Meppel realiseren zich al snel dat er vrijwel niemand meer over is. "De enigen die terugkwamen naar Meppel waren de onderduikers. Het ging om zo'n negen families." Ongeveer twintig Meppelers van de 250 zijn nog in leven. De Joodse gemeenschap is grotendeels gedecimeerd. Weg. "Het kon in theorie nog zijn dat er mensen in leven waren, want de overlijdensverklaringen kwamen pas rond 1947 en 1948. Soms leefde je lang in onzekerheid over het lot van bijvoorbeeld je vader." Toch voelen de meesten het wel aan: er komt niemand meer terug uit het Oosten.

De overlevers zullen zich alleen en ontredderd hebben gevoeld. Familieleden, vrienden en buren: ze zijn vrijwel allemaal vermoord. Theo Rinsema vertelt het verhaal van Ali Wolf en haar moeder Roos. Ze worden getipt over de razzia van oktober 1942 en duiken in Staphorst onder. "Na de bevrijding waren ze voor het eerst in twee jaar weer buiten", vertelt Rinsema. "Ze waren vergeten hoe dat voelde. Toen zijn ze lopend naar Meppel gegaan." In de stad zijn de twee het gesprek van de dag. "Ze gingen daarna langs de pakhuizen om te kijken wat er van hun bezittingen over was gebleven. Dat bleek niet veel te zijn: slechts één kastje en één dressoir."

(Verhaal gaat verder onder de foto)

Lia Roos en Ali Wolf in de straten van Meppel (Rechten: Stichting Oud Meppel)

'Meppel was Meppel niet meer'

De meeste Joden die de oorlog overleven blijven niet lang in Meppel wonen. "Dat is wel duidelijk, want het was hun Joodse Meppel niet meer", zegt Rinsema. "Een van de Van de Rhoer-broers vertrok ook. Meppel bleef heilig voor hem, maar hij kwam er nooit meer. De stad was niet meer zoals hij 'm zich herinnerde."

Jaren later wordt ook de Joodse gemeenschap in Meppel officieel ontbonden. Er is geen geld om de synagoge en de school te onderhouden. Beide gebouwen worden afgebroken. De Joodse begraafplaats is er nog wel, maar van een Joodse cultuur en bevolking kun je niet meer spreken.

Welkom?

Echt welkom voelen veel Joden zich ook niet meer in de stad. "Na de oorlog ging de aandacht eerst uit naar het verzet, zij die zich hadden ingezet om te helpen de Duitsers te verslaan", schetst Rinsema. "De Joden deden niet mee, daar besteedden mensen geen aandacht aan." Veel van de huizen die eigendom waren van de Joden, waren in de oorlog onteigend. "Ze kwamen terug in huizen waar soms anderen woonden. En als ze nog een huis hadden, waren er vaak al geen meubels meer. Toen de familie Van de Rhoer terugkeerde, stond de lauwe koffie van de Duitsers bij wijze van spreken nog op tafel." De mensen hebben nagenoeg niets.

Jacob van Esso wist precies wat er ging gebeuren als hij opgepakt zou worden."
Thijs Rinsema over de geruchten over 'kampen in het Oosten'

"Er werd na de bevrijding in Meppel een kerkdienst gehouden in alle kerken, maar daar is het woord Joden niet gevallen. Ook de kranten schrijven er dan eigenlijk niet over. Er ontstond een soort vacuüm. Op die paar Joden die terugkeerden was niemand voorbereid. Want de mensen wisten heus wel dat toen de Joden weggevoerd waren, ze echt niet allemaal terug zouden komen", aldus Rinsema.

Hadden de mensen toen kunnen weten wat het lot van de Joden was? De omvang van de holocaust werd pas later bekend, maar ook tijdens de oorlog gonsde het van de geruchten over 'kampen in het Oosten'. Rinsema verwijst naar een dagboekje van Jacob van Esso uit Meppel. "Die wist precies wat er ging gebeuren als hij opgepakt zou worden. Er verschenen genoeg berichten, maar je moest ze wel willen horen en lezen."

'Er was veel zelfmedelijden'

Verzetskrant De Patriot schrijft na de oorlog zelfs dat Joden die de oorlog overleefd hebben, dankbaar moesten zijn. "Alle ondergedoken Joden, die thans weer opduiken, hebben hun leven te danken aan Nederlanders die uit menslievendheid, met gevaar have, goed en leven te verliezen, Joden verborgen hebben gehouden. De opgedoken Joden mogen God danken voor de in die vorm verleende hulp, en zich klein voelen. Er zijn misschien veel betere mensen mee verloren gegaan. En ook dat mogen alle opduikers bedenken: er is veel goed te maken. Legio zijn de gevallen van mensen, die in het ongerede geraakt zijn door den Joden geboden hulp."

"Het is natuurlijk niet zo dat iedereen er zo over dacht", verduidelijkt Rinsema. "Maar dit was wel een beetje de sfeer van na de oorlog. Iedereen had het moeilijk in de oorlog, laat dat duidelijk zijn. Er was veel zelfmedelijden. Dat is ook logisch, maar daar had je als Jood niet veel aan als je je complete familie was kwijtgeraakt."

Zelfreflectie

Tegenwoordig is er meer zelfreflectie. Er is meer aandacht voor de vaak kille ontvangst van de Joden na de oorlog en ook gemeenten kijken meer naar hun eigen rol in bijvoorbeeld de onteigening van Joodse panden. "Maar waarom kijken gemeenten niet naar hoe ze zijn omgegaan met de administratie, het toekennen van Jodensterren en identiteitsbewijzen? Dat doen ze niet, want dat is overduidelijk: daar zijn ze schuldig aan. Maar ja, 'dat gebeurde onder dwang van de nazi's', wordt dan gezegd. Ach, het is wel goed dat ze bezig zijn met zelfreflectie", besluit Rinsema.

Lees ook: